Artikel

Altijd aan de rand van de samenleving

Door: Lodewijk Petram en Jelle van Lottum

Al eeuwenlang komen migranten met een droom naar Nederland. Ze willen de armoede ontvluchten, hun gezin in hun thuisland ondersteunen of een beter leven opbouwen. Maar ze horen er nooit echt bij. Dat was vroeger zo en dat is nog steeds zo.

Aan het werk. Dat is wat arbeidsmigranten willen. Kieskeurig zijn ze zelden – lichamelijk zwaar werk op een aspergeveld, in de glastuinbouw of in een vleesfabriek, het maakt ze niet uit. Als het maar geld oplevert, geld om van te leven en om af en toe iets leuks mee te doen.

Hoewel er voor EU-burgers in principe geen belemmeringen gelden om zich in Nederland te vestigen en hier te werken, komt daar in de praktijk toch heel wat bij kijken. Maar veel arbeidsmigranten nemen niet de tijd om uit te zoeken hoe dingen in Nederland geregeld zijn – ze willen aan het werk, liefst zo snel mogelijk.

Gespecialiseerde uitzendbureaus bieden uitkomst. Die weten waar behoefte is aan arbeidskrachten en kunnen vaak ook voor huisvesting zorgen. Zij handelen echter niet altijd in het belang van hun werknemers. Zo bleek dit voorjaar uit onderzoek van Trouw, De Groene Amsterdammer, platform voor onderzoeksjournalistiek Investico en onderzoeksprogramma Pointer dat er uitzendbureaus zijn die beleid voeren dat erop gericht lijkt te zijn arbeidsmigranten stevig in hun greep te houden. Zij laten buitenlandse werknemers bijvoorbeeld heel vaak van baan wisselen, telkens op andere plekken in het land, wat hun geen andere optie laat dan huisvesting op een verlept vakantiepark of in een verbouwd kantoorgebouw te accepteren. Ook vertellen ze dat een Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) volstaat om in Nederland te werken. Veel arbeidsmigranten schrijven zich hierdoor niet in bij de gemeente, wat ze volgens de wet wel zouden moeten doen als ze hier langer dan vier maanden blijven. Hierdoor kunnen de werknemers moeilijk aanspraak maken op bijstand of hulp van de voedselbank.

Migranten waren overgeleverd aan profiteurs

Nederland telt momenteel naar schatting 250.000 arbeidsmigranten in een uiterst kwetsbare positie: buiten het zicht van de instanties en volledig afhankelijk van hun uitzendbureau. Zij staan aan de randen van de samenleving. Een enkele keer krijgen ze de aandacht op zich gericht, maar dat is dan vaak op een negatieve manier, bijvoorbeeld na een geweldsincident op een van de locaties waar ze met velen dicht op elkaar wonen.

 

Hoge werkloosheid

Waar de situatie met de ‘onzichtbare’ arbeidsmigranten van nu toe kan leiden, leert de geschiedenis van de gastarbeiders, de buitenlandse werknemers die met name in de jaren zestig door de Nederlandse industrie werden geworven om hier te komen werken. Zij kwamen voornamelijk uit Italië, Spanje, Turkije en Marokko, en gingen aan de slag bij Philips in Eindhoven, de Hoogovens in IJmuiden en de textielindustrie in Twente. Velen kwamen ook terecht in de havens van Amsterdam en Rotterdam.

Net als de huidige generatie laaggekwalificeerde buitenlandse werknemers waren zij in hoge mate afhankelijk van hun werkgever. En ze stonden ook eerder naast de maatschappij dan ermiddenin, vaak gehuisvest in speciale pensions of – in het geval van ruim 500 arbeiders van de Hoogovens – op de Arosa Sun, een vertimmerd vrachtschip dat bij het sluizencomplex in het Noordzeekanaal lag afgemeerd. Hun leefomgeving was een mannenwereld: onder de gastarbeiders waren maar weinig vrouwen en van de mogelijkheid om echtgenotes en gezinnen te laten overkomen werd aanvankelijk weinig gebruikgemaakt.

Van de Zuid-Europese arbeidsmigranten was de meerderheid binnen tien jaar na aankomst weer vertrokken. Wat hierbij meespeelde, was dat de economische vooruitzichten in Nederland na de eerste oliecrisis (1973) verslechterden, terwijl het in Italië en Spanje in deze jaren economisch juist steeds beter ging. Bij de Turken en Marokkanen was het beeld anders. Hier vormden de terugkeerders de minderheid. Van de circa 65.000 Turken die tot 1973 naar Nederland kwamen, keerde iets minder dan 40 procent binnen tien jaar terug; van de 20.000 à 30.000 Marokkanen ongeveer 30 procent.

Na 1973 werden in Turkije en Marokko geen arbeiders meer geworven, maar de migratiecijfers daalden niet; nu kwamen vrouwen en kinderen over. Voor hun positie in de maatschappij maakte dit weinig verschil. Turken en Marokkanen vormden nog lang duidelijk aparte groepen in de samenleving, met als belangrijk nadelig gevolg dat de voormalige gastarbeiders zich slecht aanpasten aan de veranderende Nederlandse economie. Ze waren en bleven overwegend fabrieksarbeiders, terwijl steeds meer fabrieken hun deuren sloten. Hoge werkloosheidscijfers duwden de Turken en Marokkanen verder naar de randen van de samenleving en maakten hen nog kwetsbaarder.

Het IJ bij Amsterdam, geschilderd door Ludolf Bakhuysen, 1673. Louche 'slaapbazen' hebben het voorzien op de arbeidsmigranten die in de haven aankomen. Collectie Rijksmuseum

Slaapbazenindustrie

Zelfs in het Amsterdam van de zeventiende en achttiende eeuw, een migrantenstad bij uitstek - rond 1650 kwam zo’n 40 procent uit het buitenland -, was het voor nieuwkomers moeilijk een plek te verwerven in de samenleving. De eerste weken waren allesbepalend. Amsterdam was een dure stad. Wie er na een lange reis met weinig geld aankwam, kon binnen de kortste keren blut zijn. Gelukkig waren veel migranten hierop voorbereid. Zij kenden al iemand in de stad of hadden een adres op zak van een logementhouder die hun voor een goede prijs onderdak zou kunnen bieden en hen bovendien zou kunnen helpen een baan te vinden.

Maar wie volkomen bleu in Amsterdam arriveerde, was overgeleverd aan de hyena’s van de slaapbazenindustrie. Loopjongens van logementen voeren met kleine bootjes door de haven en klommen aan boord bij aankomende schepen. Daar prezen ze vervolgens luidkeels hun zogenaamd gunstig geprijsde comfortabele slaapplekken aan. Ze liepen ook rond op de kades en bij de stadspoorten, en verder loerden ze overal in de stad op mensen die eruitzagen alsof ze een slaapplaats nodig hadden. Als ze beethadden, brachten ze de nieuwkomer naar het logement.

De slaapbaas was vervolgens maar al te graag bereid de nieuwe gast financieel een beetje tegemoet te komen tijdens zijn eerste weken in de stad. Kost en inwoning, uitgaven voor allerhande benodigdheden – alles kon op de pof. Binnen de kortste keren was er sprake van een situatie van schuldafhankelijkheid. Zoals de uitzendbureaus van nu de Polen en Roemenen in hun greep houden, hadden de slaapbazen van toen de Duitsers en Scandinaviërs in hun macht. Uiteindelijk bood vaak alleen de VOC een uitweg: wie daar aanmonsterde, kon met een speciale akte zijn toekomstige salaris gebruiken om openstaande rekeningen te voldoen. De aanmonstering betekende in veel gevallen ook een doodvonnis: onbevaren migranten werden meestal aangenomen als soldaat, de rang met de hoogste sterfte van allemaal.

 

Uitbuiting

Het voorgaande is natuurlijk geen uitputtend overzicht van de geschiedenis van arbeidsmigratie in Nederland, maar de rode draad is evident. De economische inbreng van laaggekwalificeerde buitenlandse werknemers is noodzakelijk, maar de samenleving wil zich het liefst zo min mogelijk om hen bekommeren. Daardoor verkeren zij vaak aan de randen van de samenleving, wat hen uiterst kwetsbaar maakt.

Zo kon het gebeuren dat veel arbeidsmigranten in Amsterdam overgeleverd waren aan ondernemers die enkel en alleen uit waren op economisch gewin, met uitbuiting en in veel gevallen de dood tot gevolg. Zo kon het ook gebeuren dat de voormalige gastarbeiders na de sluiting van veel fabrieken zaten weg te kwijnen in kleine flatjes. En zo gebeurt het nu dat een groot aantal arbeidsmigranten uit Polen, Roemenië en andere landen buiten allerhande sociale vangnetten valt.

Deze lange lijn in de geschiedenis maakt wel duidelijk dat het gaat om een hardnekkig probleem. Een complex probleem ook, waarvoor niet zomaar een oplossing voorhanden is. Het is nuttig dat historici benadrukken hoe belangrijk de economische inbreng van arbeidsmigranten is, en hoe beperkt hun aantallen eigenlijk zijn. Maar dat heeft nog niet tot een grotere maatschappelijke acceptatie geleid, noch tot meer aandacht voor de huidige problemen.

Maar wij denken dat een historische invalshoek wél kan bijgedragen aan verbetering van de maatschappelijke positie van arbeidsmigranten. Het besef dat Heinrich Wilhelm Petram, in het midden van de negentiende eeuw met zijn ouders vanuit het Duitse Bielefeld naar Amsterdam gekomen, zijn hele werkzame leven heeft moeten zwoegen in een snikhete suikerfabriek in de Jordaan, om ’s avonds thuis te komen in een bedompte eenkamerwoning – daar kan geen cijfermatig onderbouwd rationeel betoog tegenop.

Iets verderop in de Jordaan woonde toen trouwens Egbertus Hendrikusz Radius, ook suikerbakker van beroep, ook armoe troef. Zijn familie was twee eeuwen eerder uit Minden naar Amsterdam gekomen; een van zijn nazaten zou later met een Van Lottum trouwen.

Niet iedereen heeft arbeidsmigranten in zijn familie. Maar ook als het onbekenden betreft, kunnen persoonlijke verhalen emotie oproepen. En dat geldt zeker voor de verhalen van arbeidsmigranten – mensen die een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie hebben geleverd, maar ook altijd met een droom naar Nederland zijn gekomen, een droom om armoede te ontvluchten, om hun gezin in hun thuisland te ondersteunen, of om in elk geval een beter leven te hebben dan hun ouders.

Gastarbeiders staken bij Bergoss-tapijtfabriek te Oss, 24 mei 1973.

Zware tijd

Ook de buitenlandse werknemers van nu moeten een gezicht krijgen. De campagne ‘Arbeidsmigratie werkt’, waaraan verschillende provincies en ministeries meewerken, en die de kennismaking tussen Nederlanders en arbeidsmigranten wil stimuleren, is daarvoor een heel goed initiatief. Maar er is meer nodig. Waarom staat op een doosje aardbeien wel de naam van de teler, maar niet die van de arbeidsmigrant die ze heeft geplukt? En zou het niet leuk zijn als op elk pakketje dat het distributiecentrum van Bol.com verlaat een sticker zat met de naam van de Pool of Roemeen die de inhoud bij elkaar heeft gezocht?

Zelfs in Amsterdam hadden migranten moeite een plek te veroveren

Voor historici is nog veel werk te verrichten. We kennen het verhaal van Barbara Petterson en Magnus Anderson, twee jonge Noren die rond 1650 naar Amsterdam trokken om de armoede in Oslo te ontvluchten. Zij hadden hier een zware tijd. Alleen met steun van de omvangrijke Scandinavische gemeenschap lukte het hun het hoofd boven water te houden. We kennen ook het verhaal van Mohammed Slaby, die in 1966 vanuit Marokko in Amsterdam terechtkwam en daar ontdekte dat veel deuren soms letterlijk voor hem gesloten bleven. Van werk bij een autospuiterij, het Hilton Hotel en het distributiecentrum van Albert Heijn kwam hij uiteindelijk terecht bij de Vrije Universiteit, waar hij bijna veertig jaar, tot zijn pensioen, als medisch laborant werkzaam zou zijn. Maar we kennen er ook nog heel veel niet. De Maand van de Geschiedenis 2021, met volop aandacht voor werk, is een prachtig moment om te beginnen deze verhalen te vertellen.

 

Lodewijk Petram is schrijver, historicus en econoom. Jelle van Lottum is historicus. Zij werken momenteel aan een boek over de levens van onzichtbare Amsterdammers tussen 1600 en nu.