Artikel

Het machtige eyland

Aangeboden door National Geographic Historia

Een jonge waaghals neemt een duik in de Indische Oceaan, die handelaren uit alle windstreken naar Sri Lanka bracht, maar ook het toneel vormde van een verwoestende tsunami die vele levens eiste. Vierhonderd jaar na de komst van de Nederlanders is het sfeervolle VOC-fort in Galle een levend monument waar het verleden naadloos samensmelt met het heden.

Luid claxonnerend stuurt Raj zijn wagen door een donkere poort. Een tegemoetkomende fietser wijkt haastig uit. “Oude Nederlandse poort,” zegt onze chauffeur triomfantelijk. “Nu zijn we in het fort van Galle.” Als we uitstappen, gaat de al de hele dag dreigend aanwezige natte mist plotseling over in grote druppels warme regen. Om te schuilen rennen we terug naar de poort, die vierhonderd jaar VOC-geschiedenis op Sri Lanka verbindt met het heden.

De Oude Hollandse Poort maakt deel uit van het 175 meter lange, crèmekleurig gepleisterde grote pakhuis van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Ceylon werd in de zeventiende eeuw een belangrijk knooppunt in de handelsrouten van deze multinational. Hier werden de goederen verzameld die waren bestemd voor Patria, zoals het vaderland werd aangeduid. De retourschepen en jachten van de VOC konden in de baai van Galle gedurende lange tijd veilig voor anker liggen. De veiligheid in de baai werd ruw verstoord toen op 26 december 2004 de tsunami binnendrong en in het moderne Galle duizenden mensenlevens eiste. Nu herbergt de haven weer vele glimmendnieuwe vissersboten – grote vlerkprauwen die met buitenlandse hulp zijn gekocht voor de gedupeerde vissers. Als ongewild gedenkteken liggen er ook nog enkele verdwaalde scheepswrakken, waarschijnlijk van vissers die de ramp niet hebben overleefd.

Hoewel de menselijke tragedie niet kan worden uitgewist, is de veerkracht van de Sri Lankaanse bevolking groot. Een jaar na de ramp bezocht ik Galle en zag dat de wederopbouw op sommige plaatsen al ver is gevorderd. Dat geldt zeker voor het VOC-fort dat als een rots in de branding zijn bewoners beschermde tegen het verwoestende water. Binnen de muren vielen geen slachtoffers; er was alleen waterschade. Nu wordt er, met Nederlandse hulp, gebouwd aan een toekomst waarbij het overal duidelijk aanwezige gemeenschappelijke verleden van Ceylon en de compagnie een belangrijke rol blijft spelen. Aan de buitenkant van de Hollandse Poort, met zicht op de haven, hangt het wapen van de Britse kroon. Twee krijgslustige leeuwen getooid met de leuze ‘Dieu et mon droit’. Dit motto, voor het eerst gebruikt door de Franstalige Engelse koning Hendrik V, is bepaald geen voor de hand liggend opschrift voor een Nederlandse poort uit de zeventiende eeuw. Maar als een Januskop blijkt hij getooid met nóg een gezicht: aan de stadskant prijkt het monogram van de VOC, geflankeerd door twee niet minder heldhaftige leeuwen.

De poort staat symbool voor de geschiedenis van de havenstad, die een komen en gaan van zeevaarders en handelaren uit vele delen van de wereld heeft gezien. De rijke zeevaartgeschiedenis, maar ook het gevaar dat de vele klippen in de baai vormen, worden treffend geïllustreerd door het werk van Robert Parthesius. Deze historicus van het Amsterdams Historisch Museum deed vanaf 1992 onderzoek naar scheepswrakken in de baai van Galle. Samen met Australische en Sri Lankaanse wetenschappers zette hij er een opleidingsinstituut op voor maritiem archeologen uit Sri Lanka en omringende landen, de Maritime Archaeology Unit of Sri Lanka.

“De baai is een scheepskerkhof dat de hele maritieme geschiedenis van de Indische Oceaan door de eeuwen heen laat zien,” vertelt Parthesius op zijn werkkamer in Amsterdam. Hij en zijn collega’s vonden er resten van Arabische, Chinese, Portugese en Nederlandse schepen, maar ook van moderne vaartuigen – alle gestrand tijdens de eeuwenlange jacht op de rijkdommen van het eiland.

In 1506 kwam Ceylon in het vizier van de Europeanen. De Portugezen ontdekten al snel de commerciële mogelijkheden van het eiland, waar specerijen en edelstenen in overvloed aanwezig waren. De eerste Nederlander die het eiland bezocht was admiraal Joris van Spilbergen. In 1602 kwam hij als bevelhebber van een Zeeuwse vloot van drie schepen in Batticaloa op de oostkust van Ceylon aan. Daar hoorde hij al snel van de enorme rijkdommen van het ‘Machtige Eyland’, maar zijn pogingen om die in zijn bezit te krijgen bleven vruchteloos.

Een tweede contact tussen Nederland en Sri Lanka verliep dramatischer. Kort na Van Spilbergen arriveerde vice-admiraal Sebald de Weert, afgezant van de VOC. Hij werd hartelijk ontvangen door de vorst van Kandy, een Singalees koninkrijk in het bergachtige binnenland van Ceylon. Maar de relatie tussen beide mannen vertroebelde toen De Weert in een dronken bui onbetamelijke uitlatingen over de echtgenote van de vorst deed. Onder nooit helemaal opgehelderde omstandigheden werd de Nederlander vermoord toen hij zich zonder begeleiding in het gezelschap van enkele hofdienaren bevond. Daarna werden ook zijn vijftig metgezellen omgebracht die zich aan wal bevonden. Voor de VOC was dit het teken de aftocht te blazen, althans voorlopig. Uiteindelijk sloot de compagnie in 1637 een verdrag met de koning van Kandy. Zij beloofde de Portugezen van het eiland te verdrijven; als contraprestatie zou de vorst jaarlijks een hoeveelheid kaneel en olifanten leveren. Tijdens de Nederlandse ‘heerschappij’ van 1658 tot 1795 trok jaarlijks een Nederlandse afvaardiging naar het hof in Kandy voor een beleefdheidsbezoek aan de vorst, waarbij zij knielend geschenken aanboden in ruil voor hernieuwde handelsverdragen.

In de loop van de achttiende eeuw raakte het machtige Nederland van de Gouden Eeuw verzwakt. De beheerskosten in Ceylon waren hoog opgelopen en het vaderland ging gebukt onder buitenlandse oorlogen en interne verdeeldheid. In 1796 ging Ceylon zonder slag of stoot over in Engelse handen en twee jaar later ging de VOC failliet. Anders dan de Nederlanders, die genoegen namen met hun handelsactiviteiten in de kuststreken, veroverden de Engelsen wél het hele eiland – en zij maakten er de eerste Britse kroonkolonie van. Pas in 1948 verkreeg Ceylon de onafhankelijkheid, maar het bleef een Brits dominion. In 1972 verbrak Ceylon alle banden met het Gemenebest en werd het eiland een autonome republiek met de naam Sri Lanka. Voor de VOC betekende Ceylon een rijke handelsbuit; het eiland was de enige plaats ter wereld waar kwalitatief goede kaneel vandaan kwam, en leverde daarnaast nog andere producten, zoals arekanoten, edelstenen, paarlen en olifanten. Galle werd een hoofdcomptoir van de compagnie en was na Batavia de belangrijkste Nederlandse vestiging in Azië. Vanuit Galle vertrok jaarlijks tweemaal een retourvloot naar Patria, beladen met de opbrengst van Ceylon, aangevuld met handelswaren uit Zuid-India, als peper en textiel. In Kaapstad voegde de Ceylonese vloot zich bij de schepen die vanuit Batavia naar Nederland voeren. In de reisjournaals van VOC-werknemers wordt levendig verslag gedaan van de handel in die tijd. Veel zeelieden en soldaten in dienst van de VOC waren niet afkomstig uit Nederland, maar kwamen uit omringende landen. Een van hen, de Duitse huursoldaat Johan Jacob Saar, schreef in 1662 over de olifantenjacht: “De heren Hollanders verkopen ieder jaar aan de Moren, die uit Perzië komen, of uit Mekka, ongeveer 15 à 20 stuks.”

Ondanks de hoge opbrengsten waren de dikhuiden van minder belang dan andere handelswaar als de eerder genoemde kaneel – een VOC-monopolie waarop enorme winsten werden gemaakt. Rond 1770 bedroeg de verkoopprijs van een pond kaneel in Europa ongeveer vijf gulden, de inkoop kostte niet meer dan 25 cent. Kaneel werd oorspronkelijk gewonnen in de bossen waar her en der groepjes kaneelbomen voorkwamen. Maar om de productie van kaneel te rationaliseren legden de Nederlanders kaneeltuinen aan. In een moderne tuin proef ik de rauwe schors van de boom. De smaak is herkenbaar, maar niet erg aangenaam. Pas na het drogen is de specerij bruikbaar.

Op markten zie ik de soms wel vijftig centimeter lange kaneelschillen tussen een onvoorstelbaar palet van andere kruiden en specerijen. Kaneel wordt veel gebruikt in de keuken, maar ook in de traditionele Ayurveda geneeskunde. Het is een beproefd ingrediënt in tandpasta en tandenstokers en wie haarshampoo, peelingcrème of spier- pijnbalsem gebruikt, zal niet zelden kaneel als grondstof aantreffen. Het stamhout dat overblijft na het schillen van de kaneel, wordt in hindoetempels verbrand. Daar helpt het kruidige aroma de geur van bedorven offergaven te camoufleren.

Het fort Galle, de belangrijkste getuigenis van de Nederlandse handelsgeest in Ceylon, werd in 1987 door de Unesco aangewezen als Werelderfgoed. Hoewel in de intieme straatjes elementen uit allerlei culturen en wereldreligies nauw met elkaar zijn verweven, is de overheersende invloed in het stadsbeeld duidelijk Nederlands. Veel oude VOC-gebouwen die dienst deden als pakhuis, hospitaal, commandantwoning of barakken hebben een nieuwe functie gekregen als museum, rechtbank, bibliotheek of hotel. Maar de sfeer van het fort wordt vooral bepaald door de woonfunctie die het nog steeds heeft en die een perfecte synthese tussen de geschiedenis en het levende heden oplevert.

Op de veranda van zijn huis spreek ik met Samsudeen Lahir. Hij woont in een huis uit de Nederlandse periode, gebouwd in de VOC-tijd. Sommige meubelen in zijn woonkamer vertonen overduidelijk Europese trekken, maar zijn lokaal geproduceerd. In een vitrinekast staat aardewerk met een boerenbontmotief. Lahir vertelt over de Nederlandse invloeden op het Singalees, de belangrijkste taal van het eiland. Met een Sri Lankaanse tongval, maar overduidelijk Nederlands klinkt het: aardappel, boontjes, notaris, zolder.

“O ja, we hebben heel wat woorden overgenomen,” vertelt Lahir. “Vergeet ook niet de straatnaam, Leynbaanstreet, en we zitten hier op de ‘stoep’.” Ook ‘frikadel’ blijkt in het Singalees een gangbaar woord te zijn. Al snel wordt duidelijk dat hiermee een soort gehaktballetjes worden aangeduid die deel uitmaken van de lampries, een lekkernij die bestaat uit een in bananenbladeren verpakte en gebakken minirijsttafel die vaak wordt geserveerd op Sri Lankaanse feesten.

Lahir is opgeleid als leraar Engels, maar heeft zijn loopbaan in het onderwijs opgegeven en handelt samen met zijn vrouw Mahrooza in edelstenen en juwelen. In haar winkel vertelt Mahrooza over de edelsteenproductie in Sri Lanka, die nog altijd omvangrijk is. Ze laat haar zelfontworpen sieraden zien waarin robijnen, saffieren, granaten en maanstenen zijn gezet. De zilverwitte maanstenen hebben een zachte parelmoerglans en een subtiele weerschijn in alle kleuren van de regenboog. Het is een steen die helpt tegen onvruchtbaarheid en die gemoedsrust geeft, vertelt ze.

Edelstenen worden in Sri Lanka voornamelijk gevonden in de streek rond Ratnapura, in rivierbeddingen, gewoon op het land, of in relatief ondiepe mijnen. De mijnbouw is kleinschalig en het gebruik van zware machines is niet toegestaan. Zo wordt voorkomen dat het land door de mijnbouw wordt verwoest. Het straatbeeld in Ratnapura wordt bepaald door handelaren die er stenen kopen en verkopen. Getooid met een sterke loep die als een centimeters dikke bril wordt gedragen, kunnen ze de ongeslepen stenen bij daglicht optimaal beoordelen. “Ik ben nu een welgesteld man,” vertelt Lahir, “maar dat brengt ook verantwoordelijkheden mee.” De Lahirs hebben samen met een Nederlands paar de stichting Hellabeem opgericht, een project waarin zestig kansarme gehandicapte kinderen uit de vier belangrijke religies op Sri Lanka vaardigheden leren waarmee zij een waardig, zelfstandig bestaan kunnen opbouwen. “De Koran leert ons dat iedereen een bijdrage moet leveren aan de maatschappij,” vertelt Lahir.

Op straat fietst een oudere man voorbij op een driewieler. Het is de muezzin van de Meera-moskee, zijn aangepaste rijwiel kreeg hij van Hellabeem. Enige minuten later galmt zijn oproep voor Salatoel-’Asr, het namiddaggebed, over het fort. De moskee is bijna honderd jaar oud en lijkt van buiten nog het meest op een westerse kerk. Alleen de kleine halvemanen op het dak en enkele Arabische opschriften verraden dat het om een islamitisch godshuis gaat. Op een stadsplattegrond uit 1790 staat in de legenda ook een ‘Moorse tempel’ vermeld, maar het is onduidelijk waar die heeft gestaan. Niet op de plaats van deze moskee, zoveel is duidelijk, daar stond voorheen een katholieke Portugese kerk.

Het dak van de moskee biedt een weids uitzicht over het fort en de Indische oceaan. De meeste gebouwen zijn bedekt met terrakleurige dakpan- nen. Op panden van welgestelde bewoners wer- den deze in meerdere lagen aangebracht om te dienen als warmte-isolatie. Door de status van het fort als Werelderfgoed zijn bewoners verplicht hun huizen met dergelijke authentieke technieken en materialen te restaureren. Maar voor velen is dit financieel onhaalbaar en van sommige panden is het dak bedekt met golfplaten.

Voor de moskee zit een groot gat in het wegdek. “Dat is het gevolg van de tsunami,” aldus de vriendelijke muezzin, “en van de Nederlandse riolering.” Hij legt uit wat er is gebeurd. De bouwmeesters van de VOC hebben onder grote delen van Galle een riolering aangelegd die in de zee afwatert. Door de tsunami werd water in de omgekeerde richting onder zeer hoge druk door de riolen geperst. Op sommige plaatsen veroorzaakte dit explosies onder het wegdek die zo luid waren dat veel mensen schrokken en dachten dat er werd geschoten.

De tsunami trof wel het Avondster Project van Parthesius’ Maritime Archaeology Unit die net buiten de omwalling was gehuisvest. Het jacht Avondster werd in 1653 door de VOC veroverd op de Engelsen, maakte een retourvaart naar Europa maar werd in 1657 afgekeurd voor zulke grote afstanden. In 1659 liep het op een lokale reis aan de grond in de haven van Galle, waar het door een laag fijn zand werd geconserveerd. 340 jaar later is de Avondster weer blootgelegd. De vondsten werden geconserveerd en opgeslagen in het laboratorium van de Unit. Conservator Janaka Warusawithana laat bedroefd een foto zien van een enorme kluwen touw die met een langdurige en kostbaar proces werd geconserveerd. “Het touw is weg,” vertelt Tanaka, “alles is weg.” Nagenoeg alle tastbare resten van bijna tien jaar onderzoek passen nu in twee archiefkasten, 90 procent van de vondsten is verloren gegaan.

Parthesius had twee dagen vóór de tsunami zijn deel van het project afgesloten en de Unit overgedragen aan Sri Lankaanse onderzoekers. De vondsten van de Avondster waren gereed om te worden tentoongesteld in het nieuwe maritiem museum. “Alles was gelukkig goed gedocumenteerd,” probeert Parthesius het verlies ervan te relativeren. “Het had ook erger kunnen aflopen: als we op het moment van de tsunami aan het werk waren geweest, hadden we als ratten in de val gezeten.”

Met Nederlandse noodhulp is de Unit weer op poten gezet en ook de toekomst van het museum is veiliggesteld. Op dit moment ontwikkelt Parthesius met geld van het ministerie van Buitenlandse Zaken plannen voor het verder uitbouwen van het toerisme in Galle. Dat moet wel op een duurzame manier gebeuren. Het gaat hier om het gemeenschappelijk erfgoed van Nederland en Sri Lanka, betoogt hij. Beide landen hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid. Het koloniale verleden vormt daarbij niet langer een geschilpunt waarop restauratieprojecten kunnen afketsen, zegt hij, maar wordt gezien als een onderdeel van een gemeenschappelijk verleden.

Dat standpunt onderschrijft ook burgemeester Mohammad Ariff die blij is met de Nederlandse inspanningen in zijn stad. “We moeten leren van het verleden, maar onze inspanningen moeten gericht zijn op de toekomst.” zegt hij, “Galle is het product van vele beschavingen. Dat verleden willen we behouden, maar we moeten het wel inpassen in de situatie van het heden. De belangen van de bevolking nu staan voorop.” Het meest stralende voorbeeld van dat erfgoed is de onlangs gerestaureerde Dutch Reformed Church. De voorgevel van de kerk is uitbundig versierd met grote barokkrullen die enigszins doen denken aan het sierlijke Singalese schrift. Binnen heerst de strengheid die kenmerkend is voor protestantse kerken. De koster toont alle bezoekers trots de grafstenen die de vloer en wanden van de kerk bedekken. Ik lees: ‘Hier legt het lichaam onder/verslonden door de doot/maar Egter leeft de ziel by God/In Abrams schoot.’ De steen van ‘mejufvrouw Elisabeth Mooyaard’ is ouder dan de kerk zelf. Veel van de stenen zijn er geplaatst na het ruimen van een nabijgelegen grafveld. De dominee is jong en is nog maar kort in deze kerk werkzaam: het aantal gelovigen is klein.

Nog niet zo lang geleden waren ze met beduidend meer. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw leefden in Ceylon nog enkele tienduizenden Dutch Burghers, nakomelingen van de negenhonderd Nederlandse families die na de Britse machtsovername in Ceylon bleven wonen. In de Engelse tijd nam hun aantal sterk toe en had deze bevolkingsgroep een bevoorrechte positie. Zij telde relatief veel artsen en juristen. De Burghers speelden met hun protest een cruciale rol in het behoud van het fort Galle toen dat eind negentiende eeuw dreigde te worden gesloopt. In 1908 werd in Colombo de Dutch Burgher Union of Ceylon opgericht. De leden van deze vereniging dragen namen als Anthonisz, Van Cuylenburg, Prins, Leembruggen en Speldewinde, maar het Nederlands als levende taal was in Sri Lanka ook toen al lang uitgestorven. Na de onafhankelijkheid van Ceylon verloren de Burghers hun privileges en velen emigreerden naar Australië toen het Engels, hun voertaal, werd verboden. Toch bestaat de Hollandse Burger Vereeniging nog steeds. In een groot en sfeervol pand komen de leden wekelijks bijeen. Hun wapenschild dat in de grote biljartzaal van het sociëteitsgebouw aan de muur hangt, is gesierd met een Oost-Indiëvaarder, een arekapalm, een bundel kaneel en, op een heel bescheiden puntje in de linkerbovenhoek, het wapen van de VOC. Als een laatste Nederlands bastion in de onmetelijke Indische Oceaan.

Dit artikel wordt je aangeboden door National Geographic Historia. Kijk voor info en abonnementen hier.