Artikel

Zwarte bladzijde, gouden bergen?

De slavenhandel en Walcheren

Wie vandaag de dag langs de pittoreske haven van Middelburg loopt, heeft veel fantasie nodig om zich een voorstelling te maken van de situatie van 250 jaar geleden. Waar nu plezierjachten zijn aangemeerd, lagen vroeger volop koopvaardijschepen. Een deel daarvan had honderden voetboeien en kettingen aan boord. Dit waren slavenschepen die lokale ondernemers met waardevolle handelswaar naar West-Afrika stuurden, waar de kapiteins mensen inkochten.

Door: Gerhard de Kok

De vanuit Europa georkestreerde trans-Atlantische slavenhandel staat nu bekend als een zwarte bladzijde uit de geschiedenis. Middelburg en het nabijgelegen Vlissingen waren in de tweede helft van de achttiende eeuw de hotspots van de Nederlandse slavenhandel. Voor beide Walcherse steden was deze handelstak een belangrijk onderdeel van de economie, maar hoe winstgevend was de slavenhandel nu echt?

Eén van de slavenschepen die ooit in Middelburg lagen, was het Middelburgs Welvaren. De naam van het schip is veelzeggend: de eigenaars ervan wensten Middelburg welvarendheid toe en hun activiteiten moesten daaraan bijdragen. Kapitein Gerritsen voer op het Middelburgs Welvaren in 1750 vanuit Walcheren naar West-Afrika, waar hij 260 Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen inkocht. Daarna richtte hij de stevens op Zuid-Amerika, waar Gerritsen de ingekochte mensen wilde verkopen in een Nederlandse kolonie.

Het West-Indisch Huis in Middelburg
Getekend door Jan Bulthuis (1750-1801)

Zover kwam het echter niet. Een groep Afrikanen kwam onderweg in opstand tegen hun gevangenschap. De angstige bemanning van het schip wist de opstandelingen benedendeks op te sluiten. Om een einde te maken aan de situatie, besloot Gerritsen het tussendek in duister te hullen door alle roosters en ventilatiegaten af te dekken. Toen hij een dag later de roosters weer liet openen, lagen er meer dan 200 mannen, vrouwen en kinderen levenloos benedendeks. Gebrek aan frisse lucht en zuurstof had vrijwel alle Afrikanen gedood.

De vreselijke gebeurtenissen aan boord van het Middelburgs Welvaren illustreren niet alleen het gruwelijke karakter van de slavenhandel. Ze laten ook zien dat slavenhandelaren niet altijd grote winsten opstreken. Een kolonist die het schip in februari 1751 in de Nederlandse kolonie Berbice tegenkwam, voorspelde dat de eigenaars ervan “considerabel schade” zouden leiden. Dode Afrikanen kon de kapitein immers niet verkopen. Wie de overgebleven financiële verslagen van achttiende-eeuwse Nederlandse slavenschepen bekijkt, zal zien dat deze gemiddeld genomen niet heel winstgevend waren. Soms waren er grote winsten, maar grote verliezen waren ook niet zeldzaam.

Waarom gingen ondernemers uit Middelburg en Vlissingen er dan mee door? Om dat beter te begrijpen geeft de naam van het schip Middelburgs Welvaren een hint: voor individuele investeerders was de slavenhandel zelden heel winstgevend, maar de uitreding van slavenschepen leverde veel economische activiteit op voor beide Walcherse steden. Middelburg en Vlissingen voeren wél bij de slavenhandel.

Scheepsportret van de Vlissings slavenhaler (Lorredraaier) 'de Witte Bijle' op de rede van Vlissingen, 1715

De slavenhandel vanuit Walcheren bloeide in de tweede helft van de achttiende eeuw, vooral tussen 1760 en 1780. In die jaren waren er ongeveer twintig ondernemingen in Vlissingen en Middelburg die slavenschepen uitreedden naar West-Afrika. Met afstand de grootste was de Commercie Compagnie uit Middelburg (MCC), die in deze periode 63 slavenreizen verzorgde.

Het archief van die onderneming is compleet bewaard gebleven en bevindt zich nu in het Zeeuws Archief. Dat volledig gedigitaliseerde archief biedt een ontluisterende blik op de Nederlandse deelname aan de slavenhandel. Voor ieder slavenschip dat die compagnie uitreedde is terug te vinden hoeveel mannen, vrouwen en kinderen de kapitein ervan inkocht in Afrika. Ook staat gespecificeerd voor welk bedrag deze mensen in Nederlandse koloniën (meestal Suriname) werden verkocht.

Uit het MCC-archief is af te leiden dat het uitreden van een slavenschip tussen 1760 en 1780 gemiddeld ƒ 85.000 kostte. Dat komt overeen met ongeveer € 850.000 in hedendaags geld. Een groot deel van dat bedrag (ongeveer 60 procent) besteedden slavenhandelaren aan de inkoop van waardevolle exportgoederen om in Afrika tegen mensen te ruilen. Het ging bijvoorbeeld om textiel, koperwerk, geweren en buskruit. De vijf Walcherse buskruitmolens leverden het benodigde buskruit, de rest van de handelswaar werd door Walcherse handelaren van heinde en verre aangevoerd. Slavenhandelaren besteedden ook veel geld in de lokale economie om hun schepen te laten bouwen en repareren. Ze kochten grote hoeveelheden voedsel in (voor de bemanning én voor de in te kopen Afrikanen). Lokale ijzersmeden maakten boeien en kettingen, kuipers timmerden buskruitvaatjes en assuradeurs verzekerden de slavenschepen en de slaven aan boord.

Spotprent op de Hollandse en Zeeuwse edelen die prins Willem IV het markiezaat van Veere en Vlissingen betwisten, ca. 1733

De Walcherse economie draaide tussen 1760 en 1780 vrij goed, maar Walcherse handelaren hadden veel last van concurrentie van Hollandse collega’s. Alleen in de slavenhandel viel die concurrentie uit Holland mee: daarin hadden de Zeeuwen een enorme kennisvoorsprong. Het allerbelangrijkste was de aanwezigheid van een groep zeelieden in Middelburg en Vlissingen die in staat waren om in Afrika zo goedkoop mogelijk mensen in te kopen. Lokale slavenhandelaren prezen deze zeelui omdat ze – in hun eigen woorden – “de taal der swarten, hunne wonderlijke en bisare maniere verstaan, spreken, en weten in te volgen”. Zelfs op slavenschepen uit Amsterdam en Rotterdam voeren vaak Zeeuwen mee in leidinggevende posities.

Gouden bergen leverde de slavenhandel misschien niet op. De Zeeuwse specialisatie in deze handelstak zorgde er wel voor dat tussen 1760 en 1780 zo’n vijf procent van de Middelburgse economie en zelfs een kwart van de Vlissingse economie verbonden was aan de slavenhandel. Veel investeerders waren Zeeuwen, die het niet eens zo erg vonden dat de slavenhandel zelf weinig opleverde. Het ging vaak om investeerders die tegelijk toeleverancier waren van slavenhandelaren. Zij pakten hun winst als scheepsbouwer, buskruitmaker of smid. De ‘gewone man’ profiteerde ook: veel handelstakken verplaatsten zich naar Holland, maar de slavenhandel bleef. En die leverde flink wat werkgelegenheid op!

Een Frans slavenschip (Marie Seraphique) voor de rede van Loango in West-Afrika in 1769. Destijds lagen er ook Nederlandse slavenschepen in de buurt, die er ongeveer gelijk uitzagen. Zo lag vlakbij dit schip een schip van de MCC.

Alle rechten voorbehouden

Eind 1780 brak een oorlog uit tussen Nederland en Groot-Brittannië, die door de kaapvaart ook gevolgen had voor de Nederlandse koopvaardij en slavenhandel. Nadat die oorlog in 1784 was afgelopen, hervatten Zeeuwse slavenhandelaren hun activiteiten op kleinere schaal. De internationale concurrentie van andere slavenhandelaren was in West-Afrika echter toegenomen en de bloeitijd van de Zeeuwse slavenhandel was voorbij.

Positieve economische effecten op de langere termijn heeft deze handelstak niet veroorzaakt op Walcheren, maar wel heeft de trans-Atlantische slavenhandel veel leed veroorzaakt. In Middelburg staat sinds 2005 het Zeeuws Slavernijmonument om dat leed te herdenken. De locatie van het monument? Pal tegenover het voormalige hoofdkantoor van de MCC.

Gerhard de Kok is historicus en werkt bij het KITLV. Hij verrichtte aan de Universiteit Leiden promotieonderzoek naar de economische impact van de slavenhandel op Walcheren. In mei verschijnt de publieksversie van zijn proefschrift, getiteld 'Walcherse Ketens'.

Credits: Willem-Jan Schipper.