Een beetje prut van een pokkenpatiënt kon wonderen doen. Dat wisten genezers in China, het Midden-Oosten en Turkije al eeuwenlang. Zij haalden het spul uit de blaasjes op de huid van een zieke en dienden dat toe aan gezonde kinderen, vaak via een krasje in de huid. Dan volgde een milde versie van de gevreesde pokken, met wat blaasjes en verhoging. En vervolgens was het kind immuun voor de dodelijke ziekte.
Als het goed ging, tenminste. En regelmatig ging het mis. Dan sloeg het virus niet aan en was het patiëntje alsnog vatbaar voor de pokken. Of de ziekte barstte juist in alle hevigheid los en het kind bezweek aan de behandeling die hem had moeten beschermen.
Ondanks het risico sprong de ‘variolatie’, zoals de behandeling werd genoemd, in de achttiende eeuw over naar West-Europa. Daar experimenteerden artsen en andere nieuwsgierigen met het principe. Niet alleen op mensen, maar ook op dieren. Een van hen was de Groningse boer Geert Reinders, die tijdens een angstaanjagende epidemie van runderpest in 1774 koeien ‛smetstof’ toediende van zieke soortgenoten, met een heel aardig beschermend resultaat.
Een volgende stap kwam van Engelse artsen die zich erin verdiepten waarom melkmeisjes daar zelden pokken kregen. Dat leek te komen doordat ze van hun koeien een gelijkende, maar veel minder gevaarlijke besmetting meekregen. Wie koepokken opliep, had daarna geen last meer van de mensenpokken. De oplossing voor de gevreesde pokken lag dus in koeienpokkenprut, concludeerde een groepje doktoren, van wie Edward Jenner de bekendste was. Hij diende proefpersonen het spul toe via een wondje in de huid en stelde hen daarna bloot aan de menselijke pokkenvariant. Dat liep goed af: de ingeënte personen bleven gezond. In 1798 publiceerde Jenner over zijn uitvinding van de vaccinatie (van vacca, Latijn voor ‘koe’).
Verder lezen? Lees hier het hele artikel van Historisch Nieuwsblad.