'Ik heb nu al twintig keer gehoord dat de aarde uw moeder is. Dat weten we nu wel, nu moeten we toch echt tot zaken komen.' Generaal-majoor Oliver Otis Howard had het helemaal gehad met hoofdman Toohoolhoolzote. De twee zaten nu al voor de vierde achtereenvolgende dag tegenover elkaar. Het moet een kleurrijk tafereel hebben opgeleverd: een 41-jarige baardige veteraan van de Amerikaanse Burgeroorlog – waarin hij een arm had verloren – soebattend met een 70 jaar oude inheemse hoofdman in traditioneel tenue. Maar de onderhandelingen die zij voerden waren bloedserieus. Want Howard had opdracht uit Washington om Toohoolhoolzote en zijn stamgenoten hun land af te troggelen. Het land dat zij weigerden te verlaten omdat, zoals de hoofdman bleef herhalen, zij het beschouwden als de moederschoot waaruit zij voortkwamen en waarnaar zij zouden terugkeren.
Daar snapte de witte generaal uit New-England niets van. Natuurlijk, ook blanken konden met vochtige ogen praten over ‘het vaderland’. Maar de kolonisten die naar het westen van het Noord-Amerikaanse continent trokken, waren het tegendeel van honkvast. Zij zochten gewoon een plek waar het goed toeven was. En dat was zeker het geval in de groene Wallowa-vallei, waar de rivieren vol vis en goudklompen zaten. Dat er ook al sinds mensenheugenis inheemse Nimiipu of ‘Nez Percé’ woonden, was een kleinigheid. Die indianen moesten gewoon verkassen naar het reservaat dat de Grote Vader in het Witte Huis hun had aangewezen.
‘Gevaarlijke sekte’
De paar honderd Nez Percé in de Wallowa-vallei, in het noordoosten van Oregon, waren anno 1877 de laatsten van hun stam die trouw bleven aan hun inheemse leefwijze. Hun stamgenoten die verder naar het noorden woonden, waren gezwicht voor de witte druk om de bizonjacht op te geven en een bestaan als boeren te aanvaarden in het reservaat. Velen hadden zich tot het christendom bekeerd. Zij noemden zichzelf ‘beschaafd’, in tegenstelling tot de ‘provincialen’ in de Wallowa-vallei. Die leefden nog van de visvangst en de jacht, en geloofden in geesten die zich manifesteerden in dieren, bomen en bronnen.
Veel Nez Percé lieten zich inspireren door de medicijnman Smohalla, die voorspelde dat de Schepper de voorouders zou laten herrijzen uit de dood en het land weer met grote kuddes bizons zou bevolken. Maar alleen als zijn volgelingen – die ‘Dromers’ werden genoemd – zich afkeerden van de Weg van de Witte Man, met name het boerenbestaan. Een legendarische uitspraak van Smohalla is: ‘U vraagt mij de grond te ploegen! Moet ik soms een mes pakken en die in mijn moeders boezem steken?’
Hoofdman Toohoolhoolzote was een toegewijde Dromer, en dat was misschien de reden waarom de twee andere hoofdmannen van de Wallowa-Nez Percé hem hadden gevraagd namens de hele groep te onderhandelen met de witte generaal. Als iemand kon uitleggen waarom de vallei niet zomaar een stukje zand en rotsen was, dat je naar believen kon exploiteren en verhandelen, was hij het wel. Maar Toohoolhoolzote stuitte op een muur van westers onbegrip. Generaal Howard was een vrome protestant. Hij geloofde dat God ‘in de Hemelen zijt’, niet in een poema of een zeearend. In zijn ogen waren de Dromers een gevaarlijke sekte die de rust en orde in de noordwestelijke staten bedreigde. Als de Nez Percé hun ‘moederland’ niet goedschiks afstonden, dan maar kwaadschiks.
De generaal geloofde dat God ‘in de Hemelen zijt’, niet in een poema of een zeearend
Howard liet Toohoolhoolzote arresteren en gaf de andere hoofdmannen een ultimatum van 30 dagen. De twee overgebleven leiders – die we kennen als Joseph en Witte Vogel – wisten dat ze geen kans maakten tegen het Amerikaanse leger, en wilden gehoorzamen. Maar een groepje jonge krijgers piekerde daar niet over. Aangevuurd door woede en alcohol vielen ze twee dagen lang boerderijen van kolonisten aan, vermoordden achttien mannen en verkrachtten een vrouw. Howard wist wat er nu van hem verwacht werd: keihard terugslaan en de Nez Percé uit de vallei verdrijven, of desnoods uitroeien.
‘Alles was verloren’
Zo begon een nieuw hoofdstuk in het dikke boek van etnische zuivering en genocide aan de Amerikaanse frontier. Maar de Nez Percé verkochten hun huid duur. Toen Joseph en Witte Vogel begrepen dat de toorn van de bleekgezichten op hen zou neerdalen, dirigeerden ze iedereen – mannen, vrouwen en kinderen – naar een goed verdedigbare kloof. In die White Bird Canyon wachtten ze de aanval van Howard af. De generaal voerde het bevel over twee keer zoveel soldaten als dat er inheemse krijgers waren. Toch verloor hij 36 mannen, de Nez Percé slechts twee.
Eén gênante nederlaag was echter niet genoeg voor het machtige Amerikaanse leger om de strijd te staken. Na een tweede veldslag – nu met een overwicht van vijf tegen één – wist het de Nez Percé te verdrijven uit de Wallowa-vallei. Ze vluchtten uit de bergen, de prairie op. In Montana woonde een bevriende stam, de Crow, daar zouden ze veilig zijn. Ze moesten wel haast maken, want Howard zat hen op de hielen.
Nez Percé baby in een wiegbord of draagplank, 1911.
Haast maakten ze. Het lukte de Nez Percé om de eenarmige generaal voor te blijven. Na dagenlange marsen over de vlaktes, besloten Joseph en Witte Vogel te rusten aan de oevers van de Big Hole River. Howard had een paar dagreizen achterstand, dus een pauze leek verantwoord. Maar de hoofdmannen vergaten dat er in Montana ook garnizoenen waren. Howard stuurde een boodschapper naar Fort Shaw, waar commandant John Gibbon onmiddellijk een compagnie infanteristen uitzond. De soldaten overvielen het kamp van de Nez Percé en richtten een bloedbad aan onder vrouwen en kinderen. Toch wisten de krijgers zich te herpakken, een tegenaanval uit te voeren en 74 blauwjassen te doden of verwonden. Terwijl Gibbon zijn wonden likte, hervatten de Nez Percé hun vlucht naar het gebied van de Crow. Daar kwamen ze een maand later aan.
Maar de Crow zaten helemaal niet te wachten op hun inheemse broeders. Zij wilden zelf geen moeilijkheden met de witte autoriteiten, met wie zij regelmatig samenwerkten, ook in zaken van oorlog. De vijandschap tussen inheemse stammen in Noord-Amerika bood de koloniale overheid volop gelegenheid voor een verdeel-en-heerspolitiek. In het besef dat de Crow hen zouden verraden, trokken de Nez Percé weer verder. Er was nog maar één plek waar ze konden ontsnappen aan het Amerikaanse leger: Canada.
Uiteindelijk wist een derde van de groep die uit Wallowa was vertrokken, die bestemming te bereiken. De rest werd vlak voor de Canadese grens achterhaald. Bij de Bear Paw Mountains omsingelden cavaleristen uit een nabijgelegen fort het nachtkamp van de Nez Percé. ‘Alles waarvoor we hebben geleden was verloren,’ herinnerde een van de krijgers zich later. ‘Ik dacht aan mijn land in de tijd dat er alleen nog indianen waren. Het leek wel alsof ik droomde.’
Nez Percé man met de naam Geen hoorns op zijn hoofd, geschilderd door George Catlin. 1832
‘Herstel van verwantschap’
Joseph gaf zich over aan kolonel Nelson Miles, nadat hij de toezegging had gekregen dat de overgebleven Nez Percé mochten terugkeren naar hun land. Maar de leugenachtigheid van de witte heersers was spreekwoordelijk. President Ulysses Grant liet de overwonnenen eerst opsluiten in een fort in Kansas en stuurde ze vervolgens naar een reservaat in Oklahoma, voordat ze uiteindelijk bij hun stamgenoten in het Nez Percé-reservaat werden gevoegd. Joseph kreeg in 1900 toestemming om zijn vaders graf in de Wallowa-vallei te bezoeken, maar mocht er niet meer wonen. Laat staan jagen of vissen. De vallei was nu verkaveld in stukjes property van witte goudzoekers en boeren.
De nakomelingen van Joseph, Witte Vogel en Toohoolhoolzote hielden niet op te dromen van een hereniging met hun voorouders in het moederland. In 1989 kwamen er voor het eerst in ruim honderd jaar weer Nez Percé bijeen in Wallowa, tijdens een culturele en spirituele viering. In 2021 kocht de stam een ranch en bouwde die om tot een permanent bezoekerscentrum. Er wordt veel aandacht besteed aan ecologische bewustwording, oftewel ‘het herstel van de familiebanden tussen land, water en wezens van Wallowa’, zoals de website vermeldt. Tegelijkertijd willen de initiatiefnemers ‘het pad effenen voor de inheemse mensen van deze vallei om op een dag hier te wonen, gezinnen te stichten, te werken en hun cultuur te beoefenen.’
---
Meer weten
De aarde huilt. De strijd van de indianen om West-Amerika, 1866-1891 (2017) door Peter Cozzens