Artikel

De vergeten haven

Aangeboden door National Geographic Historia

In de zuidoosthoek van Egypte, ver verwijderd van het vruchtbare Nijldal, ligt Berenike. De antieke havenstad geeft na 1500 jaar haar geheimen prijs.

Onwillekeurig droom ik weg. Er komt een herinnering boven aan een scène uit Lawrence of Arabia: een stipje aan de horizon in de immense woestijn wordt langzaam groter. Na een lange rit over een nauwelijks herkenbaar spoor zie ik de contouren opdoemen van een tentenkamp. Mijn gids
en chauffeur parkeert even later zijn onafscheidelijke Land Cruiser naast de tenten. “Berenike!” zegt hij. “Hier is het.”

Het is 25 januari 2012, de eerste verjaardag van het begin van de Egyptische Revolutie, maar hier in de woestijn is daarvan weinig te merken. Overal om ons heen is zand, en niets wijst erop dat hier ooit een bloeiende havenstad lag. Ik loop een heuveltje open kijk uit over een vlakte waar bedrijvigheid heerst. Het antieke Berenike lag aan de Rode Zee, in de zuidoosthoek van Egypte, honderd kilometer ten noorden van de grens met Sudan.

Het opgravingsterrein waarop ik uitkijk, ligt niet ver van een marinebasis. Om er te komen, moet je langs een aantal militaire controleposten. In twee- duizend jaar lijkt er weinig veranderd, want ook in de Romeinse tijd, toen de haven haar grootste bloei kende, was de stad omringd door forten. Daarna raakte Berenike in de vergetelheid – en daar bleef het, bijna 1500 jaar lang.

Hoewel de naam bekend was uit de litera- tuur, was de exacte ligging van Berenike lang een raadsel. Uiteindelijk werd de stad in 1818 terug- gevonden door de Italiaanse avonturier Gio- vanni Battista Belzoni. Enkele Europese bezoe- kers maakten tekeningen van de site, maar tot echte opgravingen kwam het nooit. Sinds 1994 vormen Berenike en het omliggende gebied het onderwerp van een groot internationaal stu- dieproject. In dat jaar startte een veldonderzoek onder leiding van de Amerikaanse archeoloog Steve Sidebotham en zijn – toen Leidse, nu eveneens Amerikaanse – collega Willeke Wendrich. Hun onderzoek kreeg jarenlang finan- ciële steun van de National Geo- graphic Society. Sinds 2007 is het project een Amerikaans-Poolse onderneming onder leiding van Sidebotham en Iwona Zych van de Universiteit van Warschau.

Na de politieke omwenteling in Egypte was het lang onzeker of de archeologen ook dit jaar weer een vergunning zouden krij- gen voor opgravingen, maar uiteindelijk is het gelukt. In het stenen hoofdkwartier van de site is het vroeg in de morgen nog aangenaam koel. “Dit gebouw heeft een bijzondere geschiede- nis”, vertelt Zych. Het Egyptische ministerie van Cultuur stond erop dat alle vondsten in een ste- nen gebouw werden bewaard, maar het minis- terie van Defensie duldde juist geen bouwwerk op zijn terrein. “Het is aan de enorme inzet van Willeke Wendrich te danken dat het er toch is gekomen”, zegt Zych.

Buiten lokken de opgravingen, en Side- botham leidt me rond over de negen hectare grote vindplaats. Her en der zijn archeologen en bedoeïenen – vaak met hun kinderen, die op deze dag van de revolutie vrij hebben – in sleu- ven aan het werk. “Volgens Plinius de Oudere werd de stad in 275 v.Chr. gesticht door Ptole- maeus II, die haar vernoemde naar zijn moe- der”, vertelt Sidebotham. Van de gebouwen uit die tijd is niet veel over. Wat rest, zijn afdruk- ken van waar de muren hebben gestaan; de stenen zelf zijn al in de Oudheid weggehaald en hergebruikt. De haven werd oorspronkelijk ingericht voor de aanvoer van olifanten uit oos- telijk Afrika. Vanuit Berenike en enkele andere Rode Zeehavens werden ze vervolgens landin- waarts naar de Nijl gedreven. De olifanten waren voor de Ptolemaeën een belangrijk wapen in de strijd met de Seleuciden in het oostelijk Middel- landse Zeebekken, die op hun beurt olifanten
uit India kregen. “In die tijd waren ze in de mode als ‘tanks’ op het slagveld,” zegt Sidebot-
ham, “hoewel ze in de praktijk lang niet altijd succesvol waren.”

Behalve levende olifanten werden ivoor en goud verhandeld via Berenike, direct in opdracht van het militaire bestuur. Rond het begin van de tweede eeuw v.Chr. kwam de olifantenhandel tot stilstand. De oorzaak daarvan is onduidelijk, maar de haven raakte in verval en verzandde. Daarmee kwam een eind aan de ptolemeïsche bloeiperiode van Berenike. Tot de komst van de Romeinen rond 30 v.Chr was er weinig activiteit in de haven. “Maar in de eerste eeuw van onze jaartelling veranderde het karakter van de stad volkomen”, vertelt Sidebotham. “Van een militair bastion werd het een echte handelshaven.”

Op een kaart laat hij zien hoe de haven ook van locatie veranderde. Er werden volgens hem geen pogingen gedaan de verzande haven uit te baggeren. “De hele stad werd gewoon verlegd.” Berenike maakte in de eerste eeuw n.Chr zijn grootste bloeitijd door: de haven werd de poort van Rome naar Oost-Afrika en India.

We wandelen verder. Op een heuveltje zie ik iemand met afgemeten pas heen en weer mar- cheren. Vanuit de verte lijkt de man met een wit pistool voortdurend in de grond te schieten. Dawid Święch is geofysicus en met zijn pistool- vormige magnetometer doet hij onderzoek naar structuren onder het zand.

Op het zand ligt een met lint uitgezet raster, met om de halve meter een gele stip. Bij elke stip moet Święch één maal met zijn ‘wapen’ vuren om een meting te doen. “Ik kan hiermee 1 tot 1,20 meter diep in de bodem ‘kijken’”, vertelt Święch. “Op deze manier maken we een soort röntgenfoto van het hele terrein.” Die ‘foto’ levert belangrijke aanwijzingen op over de grootte en indeling van de stad. De informatie is echter niet volledig: op sommige plaatsen liggen veel dik- kere sedimentlagen dan de magnetometer kan doorgronden.

Zoals in de oude havenbekkens. Daar doet geoarcheoloog Anna Maria Kotarba-Morley grondboringen. Op een kleed spreidt ze de mon- sters uit die ze tot op een diepte van vijf meter verzamelt. Aan de kleur, de grootte van de zand- korrels, de organische resten en de chemische samenstelling ervan kan ze de herkomst bepa- len: de zeebodem, organisch stadsafval, door de wind aangevoerd woestijnzand. “Kijk,” zegt ze, “deze blauwige kleur duidt erop dat hier, op deze diepte, vroeger de zeebodem was.” Zo wordt dui- delijk dat de kustlijn mettertijd is opgeschoven, hoewel dit aan de oppervlakte niet zichtbaar is.

Elk jaar kan slechts een klein deel werkelijk worden opgegraven – in totaal werd tot nu toe maar 2 procent van het stadsoppervlak bloot- gelegd. Het bodemonderzoek maakt duidelijk waar de kans op vondsten het grootst is. Daar gaat de schop in de grond.

Zo worden bouwwerken uit diverse perioden blootgelegd die het verhaal vertellen van het leven in die tijd: kaden, werkplaatsen, tempels en woonhuizen. Berenike kende waarschijnlijk het grootste aantal inwoners in de eerste eeuw n.Chr., mogelijk zo’n 1500. Om die in leven te kunnen houden, was in de eerste plaats water nodig. “Het grondwater in Berenike zelf was veel te zout”, legt Sidebotham uit. “Dat moest worden gehaald uit een aquifer kilometers verderop.” In de omgeving vonden de archeologen een ring van Romeinse forten die een rol moeten hebben gespeeld in de watervoorziening. Van daaruit werd het water, waarschijnlijk met lastdieren, naar de stad vervoerd; sporen van een aquaduct zijn nooit gevonden. In sommige forten zijn res- ten gevonden van moestuintjes waar groenten en fruit werden verbouwd en waarschijnlijk ook gierst. Maar veel voedsel als tarwe, olijfolie en wijn moest helemaal vanaf de Nijl worden aan- gevoerd. Geiten en ander vee kwamen lopend naar Berenike om daar te worden geslacht. Voor veeteelt was in de havenstad veel te weinig water.

Waarschijnlijk schommelde het inwoner- aantal van de stad aanzienlijk gedurende het jaar. Zeelieden verbleven en vertrokken er op het ritme van de handelswinden. Mogelijk was er zelfs gedurende vele maanden nauwelijks een levende ziel in de stad.

In de twaalf seizoenen die hij op deze locatie heeft gewerkt, heeft Sidebotham een goed beeld gekregen van de handel in de Romeinse tijd. En die handel was veelomvattend, zowel in de aard van de goederen als in de geografische ver- spreiding ervan. Producten uit Azië en oostelijk Afrika vonden via Berenike, de Nijl en Alexan- drië hun weg naar Rome.

Berenike lag aan het enorme Romeinse net- werk van wegen en handelsposten. Alleen al in de nagenoeg onbevolkte Oostelijke Woestijn lag zo’n 2200 kilometer hoofdweg, die op sommige plaatsen liefst dertig meter breed was. De afstand van Berenike naar Edfu en Qift, de dichtstbij- zijnde Nijlhavens, bedroeg 340, respectievelijk 370 kilometer, een barre tocht door de woestijn die per kameel zo’n twaalf dagen in beslag nam. Om het reizen mogelijk te maken, stonden er langs de wegen op regelmatige afstanden forten en andere nederzettingen.

“We zijn geneigd de mondialisering van de economie als een recente ontwikkeling te zien, maar in de Romeinse tijd bestond deze ook al”, betoogt Sidebotham. Om zijn bewering te sta- ven, somt hij voorbeelden op van producten van over de hele wereld die in Berenike werden gevonden. De meest oostelijke trofee is een grote veelkleurige kraal die waarschijnlijk afkomstig is uit Java. Andere kralen komen uit onder meer Vietnam en Thailand. Ook is er aardewerk gevonden uit alle windstreken, van de Ganges- vallei tot Spanje. Andere vondsten: kurk uit Sicilië, saffieren uit Sri Lanka, olibanum uit de Hoorn van Afrika, hars van de Syrische zilver- spar en katoen uit India.

Een spectaculaire vondst zijn twee Indiase ter- racottapotten in de Serapistempel op het hoog- ste punt van de stad. Een van de potten bevatte 7,5 kilo zwartepeperkorrels. Daarnaast werden Indiase rijst, bonen en sesamzaad aangetroffen.

Andere voedingswaren kwamen uit Europa, zoals walnoten, amandelen en zelfs escargots. “Maar deze luxe etenswaren waren maar voor een kleine elite weggelegd”, aldus Sidebotham.

Kennis over de handel in Berenike is niet alleen gebaseerd op de fysieke vondsten. Op een Romeinse vuilstortplaats ten noorden van de stad werden honderden ostraka (beschreven potscherven) en tientallen papyri gevonden waarop handelswaar en prijzen waren vermeld. Bovendien zijn er teksten overgeleverd, zoals de Periplus Maris Erythraei. In dit geschrift uit de eerste eeuw n.Chr. worden alle dan bekende handelsgoederen en -posten van de Rode Zee en de Indische Oceaan opgesomd.

Misschien wel even belangrijk als de han- del in goederen, was de uitwisseling van ideeën, zegt Sidebotham. “Vergeet niet: een reis naar India duurde een jaar, heen en terug.” Hande- laren en zeelieden brachten ook hun godsdienst mee; in Berenike vond Sidebotham twaalf geschreven talen en bewijzen voor minstens zeven religies.

Het idee van culturele uitwisseling krijgt ook op een andere manier gestalte. De Indiase archeoloog P.J. Cherian van de Universiteit van Kerala doet onderzoek naar Romeinse invloeden in de Indiase kustplaats Pattanam en komt regel- matig op bezoek in Berenike. In India bestaan oeroude joodse en christelijke tradities die vol- gens de legenden teruggaan tot de Romeinse tijd. Nu pas is er fysiek bewijs dat er in die tijd daad- werkelijk contact was tussen de zuidwestkust van India en het Romeinse Rijk. “Ik moest altijd lachen om de overtuiging van mijn ouders dat de apostel Tomas in India is geland”, zegt Cherian, “Nu denk ik: ‘Waarom niet?’ Er kwamen hier tenslotte 130 schepen per jaar. Daar kan gemak- kelijk ook een missionaris bij hebben gezeten.”

Na de piek in de eerste eeuw belandde Ber- enike weer in een dal. Er kwam nog een opleving in de vierde en vijfde eeuw, maar na de komst van de islam werd Berenike definitief opgeslokt door de woestijn. En ook nu wordt elke gegraven sleuf aan het eind van het seizoen weer dicht- gegooid. Zo blijft het zand voorlopig de baas.

 

Dit artikel wordt je aangeboden door National Geographic Historia. Kijk voor info en abonnementen hier.