Artikel

Als goede buren verre vrienden worden

Door Karin Sitalsing

Als Brazilië voetbalt, ‘kraken’ mijn ouders, geboren en getogen in Suriname, voor Brazilië. ‘Zijn onze buren toch’, zeggen ze, ter verdediging.

Frank en Anne Sitalsing tijdens een bezoekje aan Volendam, vermoedelijk 1964.

Maar lieve pa en ma, zijn jullie het dan allemaal vergeten? Dat het 1975 werd, dat de verandering boven jullie hoofden hing als dreigende donderwolken, dat alles onzeker was, zijn jullie het vergeten, de brandlucht in de straten van Paramaribo als er wéér een school in rook was opgegaan, zijn jullie de opstootjes vergeten van voor- en tegenstanders, dat niemand wist of het wel goed zou komen, zijn jullie vergeten dat het eigenlijk, uiteindelijk, helemaal niet meer zo fijn was om in Suriname te wonen? Zijn jullie vergeten dat jullie wikten, wogen, en met bloedend hart een knoop doorhakten?

Jullie gingen.

Verruilden het Bruynzeelhuis op de hoek van Kasabaholo en de Tweede Rijweg voor een flat van achthoog in een middelgroot Brabants dorp. Geen pokai tongo’s meer maar geraniums, geen grikibi’s meer maar merels. Geen vuurrode bauxietwegen meer, maar donkergrijs beton.

Mijn broers bonden de rolschaatsen onder, trokken voor het eerst van hun leven een jas aan en gingen, hup, hun nieuwe land ontdekken. Jullie settelden je, ups, downs, vallen, opstaan. Redden je.

Op school hadden jullie geleerd over ijs op de sloten en sneeuw op de daken, maar welk tropenkind kan zich een voorstelling maken van ijs en sneeuw? Jullie leerden over Pim en Mien en Ot en Sien, en dat de Rijn bij Lobith ‘ons land’ binnenkomt.  ‘Ons land’, dat was Nederland, want daar kwamen de schoolboeken vandaan.

Net als in die boeken staat het ook in jullie paspoorten, in diezelfde kleur, die geentwijfelovermogelijkzwarte inkt. Stond het altijd al, want jullie zijn nooit iets anders geweest dan Nederlanders. Op papier, althans. Want ondanks Ot en Sien, ondanks de plaatsnamen die genadeloos in jullie hoofden werden gestampt, door leraren die zelf ook niet wisten hoe je ze uitsprak en jullie leerden dat Deventer op enter rijmt en Enschede op vrede – werd Nederland nooit dat: jullie land. 

Formaliteiten en documenten hebben geen boodschap aan gevoel. Papier is maar papier, het zegt niets over dat andere land. Dat land dat in je hart en onder je huid zit. Dat land dat door je aderen stroomt zoals de Commewijne en de Marowijne door je land.

Dát land.

Het land waar jullie navelstrengen begraven liggen werd een onzichtbaar gezinslid dat stilletjes aan tafel zit en altijd aanwezig is. Wie op bezoek komt, wie een praatje aanknoopt, wie jullie ook ontmoeten, iedereen moet de verhalen aanhoren. Over hoe jullie opgroeiden met vriendjes in alle kleuren van de regenboog. Over de synagoge die naast de moskee staat. Over de natuur, die nietsontziende kracht die zelfs je wandelstok laat wortelschieten als je die in de grond zou planten.

En eigenlijk, als jullie die verhalen vertellen, gaan ze over die ándere wortels. Over die van jullie zelf, die voor altijd achterbleven in tropengrond, ook toen het bovengrondse deel werd afgescheurd.

Maar om goed te gedijen heb je beide delen nodig.

Wat rest is de eeuwige veroordeling tot twee landen, tot op twee plekken een beetje thuis, maar nooit meer ergens helemaal. Misschien is het percentage in de loop der jaren verschoven, ging het van Suriname : Nederland = 90 : 10 naar, zeg, 60 : 40. Misschien verandert het nog steeds, varieert het percentage mee met de wisseling der seizoenen. Maar honderd procent zit er nooit meer in - aan beide zijden van de oceaan niet meer.

Credits: Fjodor Buis

En dus red je je met lapmiddelen die de oorzaak van de pijn niet wegnemen, maar wel voor even verzachten. Het geheugen als een zeef die alleen de mooie dingen doorlaat, de tijd als een filter dat een sepialaagje legt over de herinneringen, als vaseline op de lens van de camera. Paracetamol voor de ziel, voor fantoompijn in een geamputeerd ledemaat.

En dus eet je elke dag rijst in een aardappelland. Blijf je ‘siroop’ hardnekkig stroop noemen, ‘mango’s’ manya’s en ‘duimen’ kraken. En dus zet je de voordeur wagenwijd open als het keihard regent, omdat het geluid je aan een tropische stortbui doet denken, geluiden uit je jeugd. Een sibibusi tussen de spruitjesburen in je brave Brabantse bejaardenflat.

En dus ‘kraak’ je met voetbal voor de Brazilianen - ook al zijn ze al vijfenveertig jaar je buren niet meer.

Karin Sitalsing is zelfstandig journalist en schrijfster van literaire non-fictie. In 2016 verscheen ‘Boeroes - een familiegeschiedenis van witte Surinamers’ bij uitgeverij AtlasContact.